Glutenallergie

 

Inleiding
Een glutenallergie, ook coeliakie genoemd (spreek uit: seuliakíe), komt zeer vaak voor in Europa. Recent onderzoek toont aan dat 1 : 100 personen in de westerse1 wereld aan deze ziekte lijdt. Collin2 stelde enkele jaren geleden vast dat in Finland1.47 % van de bevolking een glutenallergie heeft. In Zweden zou coeliakie voor komen bij 3% van de bevolking, waarvan 2/3 van de gevallen onopgemerkt3. Onderzoekers geven aan dat deze ziekte in Nederland veel minder vaak zou voorkomen. Een Leidse studie stelde in 2004 vast dat bij slechts 0.016% van de bevolking de diagnose coeliakie was gesteld en 0.35% coeliakie zou hebben (1: 300 personen). Ook onderzoek bij gezonde bloeddonoren in Nederland laat zien dat 0,35% allergisch is voor gluten4.  Herkenning van deze ziekte is het laagst binnen Europa het laagst in Nederland. Experts geven aan dat de gevallen die  bekende zijn, slecht het topje van de ijsberg5 vormen.
Vroeger nam men aan dat een glutenallergie op jonge leeftijd begon en al vroeg tot uiting kwam. Nu ziet men steeds vaker dat ook volwassen coeliakie ontwikkelen. Het is nog steeds een “kinderziekte” daar meer dan de helft van de echte coeliakie gevallen al in de jeugd tot uiting komt5. Er is in veel gevallen sprake van een stille coeliakie.

Coeliakie en klachten
Darmklachten uiten zich op verschillende manieren: gebrekkige spijsvertering, diarree, buikpijn, een opgezette buik, vermoeidheid, groeiachterstand en misselijkheid of zelfs braken.
De allergie bij kinderen uit zich in mindere mate in bloedarmoede, constipatie, algehele malaise, chronische infecties, prikkelbaarheid en een verhoogde bloedingneiging9. Doordat de vlokjes van de bekleding van de wand van de dunne darm worden aan getast, ontstaat een tekort aan voeding en vitaminen en mineralen. De dunne darm is immers de plaats waar voeding wordt opgenomen.
Kinderen zijn vaak bleek en hangerig, zij zouden te herkennen zijn aan de bleke huid, de dunne armen en een groot voorhoofd en smalle kaken of opgezette buik, ook kan het tandemail zijn aangetast.

Eerste aanwijzing van coeliakie?

percentage

Slechte voedselopname

43 %

Vermoeidheid

20%

Bloedarmoede

10 -18 %

Bloedverwanten

13%

Toevallige vondst bij biopsie

8  %

Welke klachten staan voorop bij coeliakie?

percentage

Slechte voedselopname

60 %

Vermoeidheid

58%

Klachten als kind

50%

Bloedarmoede

10 -18 %

Ontlastingsonderzoek
Zowel het bloed als de ontlasting kan worden onderzocht op markers voor een glutenallergie. Gemakkelijker is echter ontlastingsonderzoek, vooral voor kleine kinderen, mensen die bang zijn voor bloedafname, of voor wie het lastig is naar het ziekenhuis te gaan voor bloedafname.

Anti-Gliadine
Anti-t-transglutaminase
Anti-endomysium

a.  Bij een uitslag van IgA-antigliadine ontlasting groter dan 100 U/ml bestaat er een goede kans op een glutenallergie of andere voedselallergieën.
Bij een sterke toename van antilichamen tegen de glutenfractie (60 U/ml en hoger) merken veel mensen zelf dat zij zich beter voelen zonder brood, het is aan te bevelen alle gluten geruime tijd weg te laten uit het dieet of door darmonderzoek de diagnose te bevestigen.
De bloedwaarden tegen gliadine en ontlasting komen niet altijd overeen.
Bij verdenking op coeliakie en verhoogde waarden vertoont een darmbiopsie niet altijd afwijkingen.
Veel volwassenen met coeliakie hebben geen darmvlokatrofie. Het is mogelijk dat bij zeer hoge waarden een stille coeliakie aanwezig is of dat de patiënt in een later stadium coeliakie  zal ontwikkelen.

b. Positieve bevinding t-transglutaminase.
Anti-tissue-transglutaminase-antilichamen IgA bepaling is relatief gevoelig. Anti-tissue-transglutaminase, tTGA kan in feces worden aangetoond. Volgens Carrocci geven bepalingen waarbij humaan weefsel is gebruikt zelfs 98% zekerheid. MGlab&Advies maakt gebruik van deze methode. Dat betekent dat de patiënt met hoge waarden in 28% van de gevallen inderdaad coeliakie  heeft. In die zin dat er ook aantoonbare afwijkingen zijn bij een darmbiopsie.

c.  Anti-endomisium bloedwaarden zijn het meest betrouwbaar omdat deze uitsluitend positief zijn bij een glutenallergie17; bij hoge waarden heeft 100% zekerheid dat deze uitslag overeenkomt met de aanwezigheid van coeliakie. Toch is het beter deze bepaling niet in eerste instantie aan te vragen. De test is niet alleen erg duur, ook is er apenweefsel voor nodig. Het is daarom van belang het gebruik zoveel mogelijk te beperken en eventueel aan te vragen bij een positieve anti-tissue-transglutaminase uitslag.

d. IgA. In sommige gevallen is er geen stijging van IgA-antilichamen omdat het totale IgA in het serum is verlaagd. Dit komt relatief vaak voor bij kinderen met een verminderde immuniteit. Laag totaal IgA wordt bij 1% van de onderzochten gevonden.
Bepaling van serum IgA tijdens een glutenscreening kan worden meegenomen in de beoordeling van de glutentest.

Verborgen, Stille coeliakie
De meeste glutenallergieën blijven verborgen. Voor een deel omdat bij veel mensen nooit naar de ziekte is gezocht. Bij screening van 9.971 personen2  die zelf aangaven dat tarweproducten hun klachten deden toenemen, bleek dat zij 9 maal zo vaak coeliakie hadden dan gemiddeld.

Bij een ander deel wordt de diagnose gemist omdat er een stille coeliakie bestaat, een ziektebeeld zonder duidelijk darmklachten en zonder darmvlokatrofie, terwijl er wel antistoffen tegen gluten worden gevormd.
In een aantal gevallen kan men in het biopt een toename van witte bloedlichaampjes, lymfocyten aantonen, op basis hiervan kan de diagnose coeliakie worden gesteld.

Onderzoek toont aan dat 52% van de mensen met een coeliakie buikpijn of diaree heeft.
Bijna de helft heeft geen darmklachten, wel treft men bij hen auto-immuunziekten, diabetes type I, botontkalking, migraine en hoofdpijn, neurologische ziektebeelden, gewrichtsklachten, longziekten aan.

Granen
Gluten treft men aan in tarwe, rogge en gerst. Ook kamut en spelt6 bevatten gliadine en kunnen niet worden gegeten door coeliakiepatiënten
Haver dat avenine bevat, een eiwit die zeer veel op gluten lijkt, blijkt minder schade aan te richten. Gebruik van haver is uitvoerig onderzocht en veilig bevonden; 92 volwassen met coeliakie die een half jaar 30 gram haver per dag aten, ondervonden hiervan geen problemen. Van deze groep werden 35 personen nog eens 5 jaar lang gevolgd. Biopsie van darmweefsel toonde geen verschil met controle coeliakie patiënten die helmaal geen tarwe- of haverproducten gebruikten7. Ondanks dat haver veilig werd bevonden, blijkt dat bij bepaalde kinderen allergische reacties ontstaan. Zweedse onderzoekers aan de universiteit van Oslo toonden bij een aantal kinderen een ontsteking van de darm aan door havergebruik8.

Literatuur

1. Wetenschap, zaterdag 5 oktober 2004 Gladde darmen NIEUWE PIL TEGEN GLUTENALLERGIE KAN NIET WERKEN Wim Köhler
2. Collin P, Rasmussen M, Kyronpalo S, Laippala P, Kaukinen K. The hunt for coeliac disease in primary care. QJM. 2002 Feb;95(2):75
3. J Pediatr Gastroenterol Nutr. 2009 May 25Celiac Disease Revealed in 3% of Swedish 12-year-olds Born During an EpidemicMyléus A, Ivarsson A, Webb C, Danielsson L, Hernell O, Högberg L, Karlsson E, Lagerqvist C, Norström F, Rosén A, Sandström O, Stenhammar L, Stenlund H, Wall S, Carlsson A.
(4) Rostami K, Mulder CJ, Werre JM, van Beukelen FR, Kerchhaert J, Crusius JB, Pena AS, Willekens FL, Meijer JW.High prevalence of celiac disease in apparently healthy blood donors suggests a high prevalence of undiagnosed celiac disease in the Dutch population. Scand J Gastroenterol. 1999 Mar;34(3):276-9
5.Csizmadia CG, Mearin ML, von Blomberg BM, Brand R, Verloove-Vanhorick SP. An iceberg of childhood coeliac disease in the Netherlands. Lancet. 1999;353:813–814.
6. Forssell F, Wieser H. [Spelt wheat and celiac disease] Z Lebensm Unters Forsch. 1995 Jul;201(1):35-9.
7.
Janatuinen EK, Kemppainen TA, Julkunen RJ, Kosma VM, Maki M, Heikkinen M, Uusitupa MINo harm from five year ingestion of oats in coeliac disease. Gut. 2002 Mar;50(3):332-5.
8.
Door Nicolas Rousseau  " HEALTH & FOOD " nummer 67, Oktober/November 2004
9. Spadaccino AC, Basso D, Chiarelli S, Albergoni MP, D'Odorico A, Plebani M, Pedini B, Lazzarotto F, Betterle C. Celiac disease in North Italian patients with autoimmune thyroid diseases. Autoimmunity. 2008 Feb;41(1):116-21.
10. Picarelli A, Sabbatella L, Di TM, Di CT, Vetrano S, Anania MC.Antiendomysial antibody detection in fecal supernatants: in vivo proof that small bowel mucosa is the site of antiendomysial antibody production. Am J Gastroenterol. 2002 Jan;97(1):95-8.

 

 

Pagina Top arrow